home
De kantonrechter te Roermond overwoog dat in deze zaak er geen sprake was van een centrale leiding over de organisatorisch met elkaar verbonden vennootschappen. In het kader van de herplaatsingsplicht hoeven dan ook niet de andere vennootschappen binnen het concern te worden betrokken.

Bron: Kantonrechter Roermond 14-06-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:5521
Het Hof oordeelt dat ook als een werknemer een deel van zijn werk niet goed verricht, toch sprake kan zijn van een d-grond. In casu betrof het een specialist waarvan vaststond dat haar communicatieve vaardigheden onvoldoende waren, terwijl voor het overige sprake was van een goede medewerkster. In dezelfde beschikking oordeelt het Hof dat bij verweer in het incidenteel hoger beroep niet alsnog het principaal hoger beroep kan worden aangevuld/hersteld.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-052017, ECLI:NL:GHARL:2017:4782
Het Hof oordeelt dat een ontbindingsverzoek wegens schending van re-integratieverplichtingen ex artikel 7:660a BW moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 7:671b lid 5 onderdeel a en onderdeel b BW. Een deskundigenoordeel is daarom vereist. De verklaring van de werkgever dat hij zijn re-integratieverplichtingen is nagekomen, volstaat niet. Het moet een verklaring zijn waaruit blijkt dat de werknemer zijn verplichtingen niet is nagekomen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-06-2017, ECLI:NL:GHARL: 2017: 4868 (Cargoguide International BV/ werknemer)

Het Hof oordeelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ten onrechte was verleen. Door het tijdsverloop van bijna 2,5 jaar arbeidsongeschiktheid vindt het Hof dat er geen redenen zijn om een billijke vergoeding of herstelveroordeling uit te spreken.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-05-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1915

Het hof oordeelt over de vraag of de tijdelijk gewijzigde standplaats van de werknemer met zich brengt dat de extra reistijd als arbeidstijd kwalificeert. Het Hof oordeelt dat dit het geval is.  De vervolgvraag of dit ook aanspraak geeft op loon beantwoordt het hof negatief. In de Nederlandse wet is geen verplichting tot vergoeding van reistijd opgenomen, ook niet als die reistijd als arbeidstijd in de zin van artikel 1.7 onderdeel k van de Arbeidstijdenwet heeft te gelden, op de enkele grond dat de reis plaatsvindt onder gezag van de werkgever omdat hij degene is die de wijze van vervoer bepaalt (HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2013:1391). Uit een en ander volgt dat werknemer aan bedoelde rechtspraak geen recht tot vergoeding van de reistijd kan ontlenen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-02-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:872
contact1-2
Wijngaard 8, 6017 AG Thorn • T 0475 562 903 • F 0475 475 846 • E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.